
2 January 2026
Vanaf de belastingaangifte van 2026 wacht eigenaars van vastgoed dat niet als eigen woning wordt gebruikt een belangrijke verandering. De interesten op leningen voor een tweede verblijf of een verhuurd pand zullen niet langer fiscaal aftrekbaar zijn. Die beslissing van de regering-De Wever moet extra inkomsten opleveren voor de federale begroting, maar roept tegelijk vragen op over de impact op de huurmarkt.
De maatregel maakt deel uit van het zogenoemde Arizona-regeerakkoord. Daarmee schaft de federale regering een van de laatste fiscale voordelen af voor particulieren die investeren in vastgoed dat niet hun hoofdverblijfplaats is. Zowel verhuurpanden als tweede verblijven vallen onder deze hervorming.
Concreet verdwijnt de interestaftrek vanaf de belastingaangifte 2026, die betrekking heeft op de inkomsten van 2025. De interesten die in 2024 werden betaald, blijven nog aftrekbaar in de aangifte van 2025. Daarna komt er definitief een einde aan het voordeel.
Tot nu toe konden belastingplichtigen de interesten van een lening voor de aankoop, het behoud of de renovatie van een niet-eigen woning aftrekken van hun belastbaar inkomen. Dat gold voor verschillende soorten leningen, zoals hypothecaire kredieten of renovatie- en energieleningen, op voorwaarde dat ze duidelijk aan het betrokken pand waren gekoppeld.
Vanaf 2025 verdwijnt deze mogelijkheid volledig voor natuurlijke personen. Eigenaars zullen daardoor een hogere fiscale druk voelen, zonder dat daar een compensatie tegenover staat.
Er komt geen overgangsregeling. De afschaffing geldt voor alle lopende leningen, ook voor kredieten die jaren geleden werden afgesloten. Eigenaars die nog rekenden op meerdere jaren interestaftrek zien hun financiële planning daardoor grondig wijzigen.
Minister van Financiën Jan Jambon benadrukte wel dat er geen onwettige retroactiviteit is. De interesten die in 2024 werden betaald, blijven aftrekbaar. De hervorming geldt uitsluitend voor interesten vanaf 2025.
De federale regering verwacht dat de maatregel op kruissnelheid ongeveer 210 miljoen euro per jaar zal opbrengen. Dat bedrag moet helpen om het begrotingstekort terug te dringen, dat volgens verschillende ramingen tussen 4,9% en 5,2% van het bbp bedraagt.
Critici plaatsen vraagtekens bij die redenering. Niet elke eigenaar van een tweede verblijf of verhuurpand beschikt over ruime financiële middelen. Voor heel wat Belgen vormt een verhuurd pand net een aanvulling op een vaak beperkte wettelijke pensioenuitkering.
De hervorming treft in de eerste plaats kleine particuliere verhuurders met één of twee panden. Hun fiscale last stijgt, zonder dat zij die kunnen compenseren. Voor vennootschappen blijft de interestaftrek binnen de vennootschapsbelasting wél bestaan. Dat verschil in behandeling kan vastgoedbezit via een vennootschap aantrekkelijker maken, al brengt dat ook extra juridische en fiscale verplichtingen met zich mee.
Concreet:
Eigenaarsorganisaties reageren ongerust. Het Nationaal Syndicaat van Eigenaars en Mede-eigenaars (SNPC) vreest dat de maatregel de bestaande schaarste op de huurmarkt zal verergeren. Sommige verhuurders zouden de huurprijzen verhogen om het verlies aan fiscaal voordeel te compenseren, terwijl anderen hun pand mogelijk sneller verkopen.
In een context van stijgende kredietkosten en een aanhoudend hoge vraag naar huurwoningen kan deze hervorming de druk op de markt verder opvoeren.
Met deze beslissing verdwijnt het laatste federale fiscale voordeel voor tweede verblijven. Sinds de zesde staatshervorming zijn de meeste fiscale stimuli rond residentieel vastgoed geleidelijk afgebouwd of geregionaliseerd.
De Gewesten schrapten eerder al de voordelen voor de eigen woning:
In 2024 had de federale regering bovendien al de belastingvermindering voor kapitaalaflossingen en schuldsaldoverzekeringen afgeschaft. De interestaftrek was het laatste overblijvende voordeel.