
5 January 2026
Sinds 1 januari 2026 zijn stookolieketels officieel begonnen aan hun geleidelijke uitstap in Wallonië: ze zijn voortaan verboden in nieuwbouwwoningen. Daardoor wordt een volledige sector – en worden duizenden gezinnen – stap voor stap richting duurzamere oplossingen gestuurd. Deze evolutie past in een bredere beweging die in Brussel al langer is ingezet.
In Wallonië geldt het verbod voorlopig enkel voor nieuwbouw, maar ook renovaties staan al op de radar van de regionale overheid. Er is nog geen concrete datum vastgelegd voor de vervanging van bestaande installaties. Om deze omschakeling voor gezinnen minder bruusk te maken, heeft de federale regering de btw op warmtepompen tijdelijk verlaagd van 21% naar 6%, voor een periode van vijf jaar tot eind 2030. Zo wil men de overstap naar efficiëntere en minder vervuilende systemen stimuleren.
Op het terrein roept deze nieuwe realiteit heel wat vragen op, en zelfs frustratie, bij verwarmingsinstallateurs. Het verbod wordt niet met enthousiasme onthaald. Het overheersende gevoel is dat men zich moet heruitvinden binnen een veranderend en soms moeilijk leesbaar regelgevend kader, zowel voor professionals als voor klanten.
Het jaar 2025 werd gekenmerkt door een duidelijk anticipatie-effect. “Mensen voelden het verbod aankomen”, merkt ondernemer Olivier Germain op in een interview met L’Avenir. Zijn bedrijf, dat normaal gezien een twintigtal stookolieketels per jaar installeert, plaatste er vorig jaar meer dan het dubbele.
Deze einde-cyclusstormloop illustreert zowel de angst van gezinnen om een vertrouwde technologie te verliezen, als het gevoel dat er op het terrein een gebrek is aan duidelijke communicatie. De installateur wijst op regelgeving die “voortdurend verandert”, op een inwerkingtreding op 1 januari 2026 waarvan de modaliteiten onvoldoende werden toegelicht, en op blijvende onzekerheid over wat bij renovaties in de toekomst nog toegelaten zal zijn.
Ondanks deze spanningen blijven veel installateurs optimistisch. Het beroep is niet gedoemd te verdwijnen, maar moet zich aanpassen. De verwarmingsinstallateur van morgen wordt steeds meer een globale energieadviseur: dimensionering van warmtepompen, integratie met zonnepanelen, beheer van hybride systemen die verschillende warmtebronnen combineren.
De uitdaging zal minder liggen in het aansluiten van een “standaardketel” en meer in het ontwerpen van oplossingen op maat, afgestemd op de nieuwe regelgeving én op de budgettaire realiteit van de klant.
Voor de overheid wordt de warmtepomp vaak naar voren geschoven als dé oplossing van de toekomst. In theorie klopt dat: een hoger rendement, potentieel hernieuwbare energie in combinatie met zonnepanelen, en een geleidelijke uitstap uit fossiele brandstoffen.
In de praktijk zijn de voorwaarden echter niet altijd vervuld: onvoldoende geïsoleerde gebouwen, hoge initiële investeringskosten, onzekerheid over de elektriciteitsprijs en over de capaciteit van het net. Veel gezinnen beschikken niet over de financiële middelen of de bereidheid om ingrijpende renovaties uit te voeren die nodig zijn om een warmtepomp echt efficiënt te laten werken.
Daarom pleiten sommige professionals voor hybride oplossingen, waarbij twee warmtebronnen in één woning worden gecombineerd. Zo blijft er flexibiliteit tegenover energieprijzen en toekomstige regelgeving. Een warmtepomp voor het grootste deel van de verwarmingsbehoefte, aangevuld met een verbrandingssysteem (hout, pellets of een schonere vloeibare brandstof) voor koudepieken, kan vermijden dat men volledig afhankelijk wordt van één technologie.
In dat perspectief duikt biofuel op als een interessante piste. Deze hernieuwbare vloeibare brandstof is in bepaalde regio’s van Frankrijk al wijdverbreid en kan grotendeels klassieke stookolie vervangen, met een aanzienlijke vermindering van de CO₂-uitstoot over de volledige levenscyclus.
Veel fabrikanten ontwerpen hun nieuwe stookolieketels inmiddels zo dat ze van bij de start compatibel zijn met mengsels op basis van biobrandstoffen.
Voor eigenaars opent dat een bijkomende optie: geleidelijk overstappen van fossiele stookolie naar een gecertificeerde biofuel, zonder het volledige verwarmingssysteem te moeten vervangen. Volgens installateurs kan die omschakeling technisch relatief eenvoudig zijn, op voorwaarde dat het toestel daarvoor is ontworpen. Dat beperkt de kosten in vergelijking met een volledige overstap naar een warmtepomp of een grondig hertekend verwarmingssysteem.
De doorslaggevende vraag blijft echter het wettelijke kader: de toekomst van biofuel zal afhangen van hoe Belgische en Europese overheden deze brandstoffen positioneren binnen hun klimaatstrategieën, tussen de wens om vloeibare brandstoffen uit te faseren en de nood aan realistische overgangsoplossingen.