
Tegen eind dit jaar moeten de ruim 54.000 verenigingen van mede-eigenaars (VME’s) van gebouwen die dateren van voor 2001 een asbestattest laten opmaken voor de gemeenschappelijke delen. Maar met nog minder dan vier maanden te gaan, is amper één op de drie in orde. Dat blijkt uit cijfers van OVAM die Het Nieuwsblad opvroeg.
Wie een woning van voor 2001 verkoopt, moet een asbestattest kunnen voorleggen. Die verplichting geldt sinds eind 2022 en is bij de meeste Vlamingen intussen wel bekend. Wat veel minder mensen weten, is dat op termijn álle eigenaars een asbestinventarisatie moeten laten opmaken van de woningen of gebouwen die ze bezitten. Ook wanneer ze helemaal geen verkoopplannen hebben.
Vlaanderen wil zo tegen 2032 alle risicogebouwen in kaart hebben, om uiteindelijk tegen 2040 volledig asbestveilig te zijn.
2032 lijkt nog ver weg, maar de inventarisatie gebeurt in verschillende fases. Zo moeten verhuurders tegen 2030 een asbestattest kunnen voorleggen aan nieuwe huurders. Ook scholen, jeugdgebouwen en werkplaatsen – telkens gebouwen van voor 2001 – moeten tegen dan over een asbestattest beschikken.
De eerste deadline komt er echter al veel sneller aan. Tegen 1 januari 2027 moeten alle verenigingen van mede-eigenaars (VME’s) de gemeenschappelijke delen van hun gebouw laten inspecteren op de aanwezigheid van asbest. Denk bijvoorbeeld aan daken, buitenmuren, trappenhallen en liftschachten van appartementsgebouwen, of aan garages in een garagecomplex.
Volgens een schatting van OVAM telt Vlaanderen 54.270 VME’s voor gebouwen in mede-eigendom met een risicobouwjaar. Op dit moment zijn 18.735 asbestattesten voor de gemeenschappelijke delen opgemaakt. Dat komt neer op 34 procent. Met andere woorden: twee derde van de VME’s is nog niet in orde, terwijl de deadline steeds dichterbij komt.
Volgens Katelijne D’Hauwers van de belangenorganisatie Verenigde Eigenaars zijn veel mede-eigenaars nog niet op de hoogte van de naderende deadline.
“De overheid had er misschien nog breder over kunnen communiceren, en het is natuurlijk aan de syndicus om de VME’s op de hoogte te stellen, ook al blijft de VME wel verantwoordelijk voor het tijdig in orde brengen”, zegt ze.
“Wie wel op de hoogte is, voelt vaak de urgentie nog niet. Wie te laat is, hoeft ook geen directe sanctie te vrezen.”
Toch kunnen de gevolgen wel degelijk voelbaar zijn. “Maar als het asbestattest voor de gemeenschappelijke delen niet beschikbaar is, kan de verkoop van bijvoorbeeld een appartement of garagebox vanaf 2027 niet doorgaan”, waarschuwt D’Hauwers. “Onzekerheid over de asbestveiligheid kan de prijs van een pand ook drukken en kopers doen afhaken vanwege mogelijk hoge saneringskosten.”
Wie tot het laatste moment wacht, mag volgens D’Hauwers bovendien rekening houden met langere wachttijden en mogelijk hogere tarieven.
“Hoe meer VME’s de inventarisatie uitstellen tot op het allerlaatste moment, hoe langer de wachttijden eind dit jaar zullen worden. Het kan niet verbazen als asbestdeskundigen een hogere prijs vragen wanneer de nood hoog is”, zegt ze.
Wat kunnen mede-eigenaars die nu pas van de verplichting horen het best doen?
“Ik zou hen aanraden om hun syndicus schriftelijk te verzoeken om dit onderwerp op de agenda van de eerstvolgende algemene vergadering van de VME te plaatsen. Dan is het aan de syndicus om de VME te informeren, zodat het nodige kan gebeuren”, besluit D’Hauwers.